26.000 asielzoekers

Sinds april 2001 is de nieuwe Vreemdelingenwet van kracht. Met deze wet werd de asielprocedure aanmerkelijk verkort. Voor die tijd kon het voorkomen dat asielprocedures zich jaren voortsleepten en ook werden in de praktijk uitgeprocedeerde asielzoekers nauwelijks het land uitgezet. De Tweede Kamer stemde in 2003 in met het voorstel van Rita Verdonk, de minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie, dat, met uitzondering van een kleine specifieke groep, alle uitgeprocedeerde asielzoekers alsnog het land moesten verlaten. Het ging om mensen die vaak al zeer lange tijd in Nederland waren en die onder de oude vreemdelingenwet Nederland waren binnengekomen. Verdonk becijferde dat het om ongeveer 26.000 mensen gaat en het is de bedoeling van de regering dat deze binnen drie jaar worden uitgezet. In dit licht werd ook besloten vertrekcentra op te zetten, waarvan de eerste kwam te staan in Ter Apel.

Van de 26.000 mensen zijn er inmiddels 5000 volledig uitgeprocedeerd. Volgens minister Verdonk keerden van hen 1000 vrijwillig terug naar hun land, 300 vertrokken onder toezicht of werden uitgezet, ongeveer 1700 kregen alsnog een verblijfsvergunning en circa 1900 zijn ‘met onbekende bestemming’ vertrokken uit de opvang.

Uitzetting
Het uitzettingstraject voor de 26.000 mensen ziet er op papier als volgt uit: Uitgeprocedeerde asielzoekers worden overgebracht naar het vertrekcentrum. Daar krijgen zij acht weken de tijd om zelfstandig hun vertrek voor te bereiden en om reispapieren te regelen bij de ambassade van het land van herkomst. Asielzoekers die niet meewerken of die het niet voor elkaar krijgen om reisdocumenten te bemachtigen, worden vastgezet in een uitzetcentrum, in feite een gevangenis. Vervolgens zijn er drie mogelijkheden:

1. Het lukt de overheid wel om reispapieren te regelen, en de asielzoeker wordt daadwerkelijk uitgezet;
2. De overheid erkent dat uitzetting onmogelijk is en dat dit de asielzoeker niet is aan te rekenen (“objectief aantoonbaar buiten de schuld van de vreemdeling”); in dit geval heeft de laatste recht op een verblijfsstatus
3. De onmogelijkheid van uitzetting wordt aan de asielzoeker verweten – in de meeste gevallen is dit het geval – waarna deze op straat wordt gezet. Dit betreft ook gezinnen met kinderen. Deze praktijk overigens inmiddels ook gebruikelijk bij uitgeprocedeerde asielzoekers die onder de nieuwe vreemdelingenwet zijn binnengekomen.

Comments are closed.