Algerije

Algerije wordt nog steeds volop geteisterd door een mensenrechtencrisis. Tien jaar nadat de conflictsituatie in het land begon is er nog steeds weinig hoop dat het lijden van de Algerijnse bevolking binnenkort tot een einde komt.

Na de zeer gewelddadige periode van 1997-1998, toen een serie bloedige en grootschalige massamoorden de internationale gemeenschap wakker schudde en niemand meer kon ontkennen dat de Algerijnse autoriteiten de situatie niet in de hand hadden, is de schaal waarop mensen schijnbaar willekeurig worden afgeslacht enigzins afgenomen. Hoewel de internationale aandacht voor de situatie in het land sindsdien weer drastisch is afgenomen, is er nog steeds veel reden tot zorg.

Het geweld wordt uitgeoefend door islamitische terreurbewegingen, paramilitaire milities en veiligheidstroepen, tegen elkaar en tegen groepen burgers. In 2002 zijn tot nu toe minstens 600 Algerijnse burgers gedood op markten, bij valse controleposten of in hun eigen huis. ‘Verdwijningen’ komen nog geregeld voor. Door de regering toegezegd onderzoek naar 4.000 ‘verdwijningen’ (i.c. arrestaties door veiligheidstroepen en milities) tussen 1993 en 1999 is nog niet opgestart. Met name deze straffeloosheid is zorgwekkend, vooral waar het gaat om het uitblijven van rechtsvervolging van leden van veiligheidstroepen en milities.

Onafhankelijk geworden (van Frankrijk) in 1962, werd Algerije tot 1989 geregeerd door de FLN, voortgekomen uit de onafhankelijkheidsbeweging. Een hervorming van het politieke systeem, gepaard met een wijdverspreid ongenoegen over corruptie en grote economische en sociale problemen, zette het islamitische FIS prominent op het maatschappelijke toneel. In 1992 verijdelde het leger dat het FIS de verkiezingen won, en werd de partij verboden. Dit markeerde de start van golven van terreur, die zo’n 100.000 mensen het leven hebben gekost.

Bij zijn aantreden in 1999 heeft de huidige president van Algerije, Abdelaziz Bouteflika, het herstellen van de vrede in de Algerijnse samenleving als een van de centrale doelen van zijn regeerperiode gesteld. Hiertoe heeft hij onder andere een informeel bestand gesloten met de AIS (de gewapende tak van het FIS) en een amnestiewet afgekondigd, die leden van gewapende islamitische groeperingen vrijstelde van vervolging indien zij bereid waren de wapens neer te leggen. Hoewel er wordt geschat dat rond de 5000 militanten daadwerkelijk gevolg hebben gegeven aan deze oproep en dit heeft geleid tot een afname van geweld, is de situatie in Algerije nog steeds verre van vreedzaam en stabiel. Het FIS blijft vooralsnog verboden.

De Algerijnse bevolking, het grootste slachtoffer van het ongecontroleerde en wrede geweld dat het land sinds de militaire ingreep in 1992 teistert, zal gebaat zijn bij eerlijke processen. Bijna elke Algerijnse familie is ongewild betrokken geraakt bij de gewelddadigheden: wie heeft niet in zijn naaste omgeving te maken gehad met verdwijningen, willekeurige arrestaties, wegblokkades of is niet angstig geworden door de massaslachtingen in dorpen als Bentalha, Raïs en Sidi Hamed? Zolang het leger en veiligheidstroepen niet altijd en onvoorwaardelijk ingrijpen om burgers te beschermen en justitie niet de daders van deze geweldplegingen vervolgt, lijkt voor sommigen een manier om gerechtigheid te doen gelden zich aan te sluiten bij gewapende bendes, waarmee de spiraal van geweld slechts aangewakkerd.

In januari 2004 maakte mensenrechtenactivist Mohamed Smaïn de ontdekking van een massagraf in Sidi M’hamed Benaouda (west Algerije) bekend. Op deze publieke bekendmaking volgde een schandalige vernietiging van alle bewijzen die op de plek aanwezig waren.
Smaïn werd recentelijk opnieuw lastig gevallen door de Algerijnse autoriteiten. Op 10 april werd hij gedurende elf uur vastgehouden nadat hij een buitenlandse journalist had begeleid. Zijn autopapieren en rijbewijs werden afgepakt klaarblijkelijk met de bedoeling zijn bewegingsvrijheid te beperken. Eerder in 2002 is M’hamed Smaïn veroordeeld tot een jaar gevangenisstraf, maar hij bleef vrij hangende het beroep.

Ofschoon het geweld in Algerije is afgenomen, worden er maandelijks nog tientallen mensen vermoord. Bovendien falen de Algerijnse autoriteiten er tot nog toe in om op concrete wijze het probleem van de meer dan 100.000 doden en duizenden “verdwenen” personen aan te pakken. De wijze waarop de autoriteiten hebben gehandeld in het geval van het ontdekte massagraf is hier exemplarisch voor.
De Algerijnse president Bouteflika is tijdens de verkiezingen op 8 april 2004 met overgrote meerderheid herkozen. Amnesty voert campagne om president Bouteflika serieus werk te laten maken van de ontdekkingen van massagraven. Deze roep om opheldering is extra urgent gezien de schokkende berichten van het verdoezelen van bewijsmateriaal van de mensenrechtenschendingen die het land sinds 1992 teisteren.

Feiten:
Hoofdstad: Algiers
Staatshoofd: Abdelaziz Bouteflika
Regeringsleider: Ahmed Ouyahi
Bevolking: 31,3 miljoen (2002)
Religie: islam
Omvang: 2.381.741 km2
Human Development Index: 0,665 (109)
Voertaal: Arabisch, Frans
Doodstraf: in zwang
Verdragen: VN-Verdragen

Comments are closed.