FilmarchiefWaarom vluchten mensenLandenWat kan je doenEnglish

DE EUROPESE UNIE

Een gemeenschappelijk asielbeleid

De lidstaten van de EU zijn partij bij het Vluchtelingenverdrag van 1951 en het bijbehorende Protocol van 1967.

Een van de eerste ontwikkelingen op Europees niveau die direct van belang was voor de behandeling van asielverzoeken was de overeenkomst van Schengen, gesloten in 1990 en in werking getreden in 1995. Het waren in eerste instantie 5 landen, de Benelux, Frankrijk en Duitsland, die met deze overenkomst besloten tot het vrij verkeer van personen. Met 'Schengen' werd een belangrijke stap gezet ten aanzien van de afschaffing van controle aan de binnengrenzen tussen de deelnemende landen. In de loop van de jaren hebben zich steeds meer landen bij 'Schengen' aangesloten. Deze ontwikkeling leidde tot de noodzaak stil te staan bij de vraag in welk land een vluchteling asiel zou moeten aanvragen, en welk land dat verzoek zou moeten behandelen. In dat kader kwamen de Europese landen in 1990 tot het Verdrag van Dublin waarin bepalingen werden vastgelegd inzake de verantwoordelijkheid voor asielaanvragen. Zo werd bepaald dat de eerste EU-lidstaat waar de asielzoeker binnenkomt, dan wel de staat die een visum heeft afgegeven, verantwoordelijk is voor de behandeling van het asielverzoek - ongeacht waar dat verzoek feitelijk wordt ingediend. Wijst dat land het verzoek af, dan geldt die afwijzing voor alle EU-lidstaten. Met deze regels moest een einde komen aan het ronddolen van vluchtelingen in de EU, die in verschillende lidstaten asielverzoeken indienden of die geconfronteerd werden met de situatie dat geeneen land hun verzoek behoorlijk wilde behandelen.

In de jaren die volgden zijn op Europees niveau talrijke afspraken gemaakt om asielprocedures en asielbeleid te harmoniseren. En dat proces gaat door tot op de huidige dag. Met de bedoeling om makkelijker asielverzoeken te kunnen afwijzen werden in 1992 begrippen geïntroduceerd als 'kennelijk ongegronde asielverzoeken', 'veilige derde landen' en 'veilige landen van herkomst'. Asielverzoeken konden daarmee versneld worden afgewezen en asielzoekers konden worden teruggestuurd naar bepaalde niet-EU-landen die als 'veilig' waren bestempeld, in geval zij daar op hun vlucht doorheen waren gereisd.

Op de bijeenkomst in 1999 van Europese leiders in Finland, de zgn Europese Raad in Tampere, werd besloten haast te maken met het proces dat moet leiden tot een gemeenschappelijke asielprocedure en tevens tot een uniforme status. In 2002 zijn de voorstellen van de Europese Commissie op dit terrein akkoord bevonden. Zo is er overeenstemming over de definitie van het begrip vluchteling, over de minimale voorlichting die lidstaten moeten geven, over huisvesting van asielzoekers, bewegingsvrijheid, gezinshereniging, gezondheidszorg en onderwijs voor minderjarigen. Maar de richtlijn betreft ook maatregelen die moeten voorkomen dat mensen misbruik maken van het asielstelsel. Regeringen kunnen in geval van wangedrag of wanneer een asielzoeker niet aan de procedure meewerkt, de steun aan de desbetreffende persoon beperken of volledig stopzetten.

De Europese Raad van Sevilla in juni 2002 drong vervolgens andermaal aan op bespoediging van de besluitvorming over wet- en regelgeving die is gericht op de totstandkoming van een gemeenschappelijk asiel- en immigratiebeleid en hetzelfde was het geval op de top van Thessaloniki in juni 2003. Daar werd onder andere gesproken over visaverlening, de controle van de buitengrenzen, de terugkeer van illegale immigranten en het partnerschap met derde landen. Dit laatste betreft dan bijvoorbeeld overeenkomsten over overname of terugkeer van onderdanen van derde landen en over mensensmokkel. De Europese Raad bevestigde nogmaals een gemeenschappelijk Europees asielstelsel tot stand te willen brengen.

Bron: Europese Commissie vertegenwoordiging in Nederland
Lees verder: http://europa.eu.int/netherlands (asielbeleid abc Europese Commissie)