Kosovo

2004-11-14 – Intussen was er vanuit de internationale gemeenschap weinig aandacht voor de onderdrukking van Albanezen die plaatsvond in Kosovo. Men had de handen vol aan brandhaarden elders op de Balkan, en voor Kosovo was geen tijd. In 1997 radicaliseerde een deel van de Albanese bevolking, die aanvoerde dat acht jaar van vreedzaam verzet geen enkel resultaat en geen enkele verbetering had opgeleverd. Zij stichtten het Kosovo Bevrijdingsleger (UÇK), dat brak met het pacifisme van Rugova en dat de wapens opnamen tegen de Serviërs. Wat volgde waren aanslagen op Serviërs en op Albanezen die van collaboratie verdacht werden. In februari dat jaar antwoordde Belgrado met een groot militair offensief, bedoeld om het UÇK voor eens en voor altijd uit te schakelen. Dit offensief ging gepaard met het middel van “etnische zuivering” dat in Kroatië en Bosnië al eerder was toegepast. Hele dorpen werden met de grond gelijk gemaakt en tienduizenden Albanezen vluchtten. Velen van hen werden ook gedwongen om de streek te verlaten. Binnen een jaar vielen tweeduizend doden en raakte een kwart van de totale bevolking dakloos. Een onbedoeld gevolg was dat de Albanezen radicaliseerden en zich massaal aansloten bij het UÇK. De interesse van de internationale gemeenschap werd gewekt. In oktober 1998 werd er een akkoord bereikt, dat echter direct daarna door de Serviërs werd geschonden. Vervolgens besloot men tot het houden van de Kosovo-conferentie in het Franse Rambouillet, in februari 1999. Het plan dat hier werd opgesteld was dat Kosovo voor een periode van drie jaar zelfbestuur zou krijgen, maar niet onafhankelijk zou worden. De Kosovaren tekenden het plan in maart 1999, op de vervolgconferentie in Parijs. Maar de Serviërs bleven weigeren, omdat het plan ook een NAVO-troepenmacht in Kosovo bedong en dat werd onacceptabel bevonden. Ook op straffe van NAVO-luchtaanvallen ging Servië niet akkoord. Eind maart kwamen die luchtaanvallen dan ook. Na 78 dagen van bombardementen op Servische doelen binnen en buiten Kosovo tekende Belgrado de vrede en werd Kosovo ontruimd. Sindsdien staat Kosovo onder bestuur van de Verenigde Naties.

Geschiedenis
Na repressieve acties tegen de Albanezen in Kosovo in 1974 en 1976 brak op 11 maart 1981 in Kosovo een opstand uit, gevoerd door de Albanese inwoners. Zij eisten dat Kosovo net als alle overige republieken behandeld zou worden met de leus Kosovo – republiek (één van de Joegoslavische republieken). Na het neerslaan van de opstand, waarbij volgens de Servische autoriteiten 11 doden en 257 ernstig gewonden vielen (Albanese cijfers spreken daarentegen van 1.600 doden en ongeveer een gelijk aantal gewonden) werden ongeveer 2.000 Albanezen gevangen gezet, waaronder een belangrijk deel van de Albanese intelligentsia en Albanese partijkaders. Uit de volkstelling van 1981 bleek dat van de 1.580.000 inwoners van Kosovo 1.230.000 zich als Albanezen beschouwden. Tegelijk bleek dat de banen in de publieke sector op dat moment voor tweederde deel door Serven bezet werden.

Nog in 1953 hadden de Serviërs op het slagveld van Kosovo Polje een gedenkteken opgericht voor de in deze veldslag gesneuvelde Servische soldaten én voor de koppige strijders voor de onafhankelijkheid in de eeuwen daarna. De kwestie Kosovo speelde gedurende het uiteenvallen van Joegoslavie, dat versneld inzette sinds 1986 toen Slobodan Milosevic een prominente plaats ging bezetten, een belangrijke rol. Servische nationalisten zoals Miodrag Bulatovi?, Dobrica Coši?, Slobodan Miloševi? en de Servisch-Orthodoxe Kerk hamerden erop dat Kosovo de bakermat van de Servische beschaving was en dat Kosovo daarom nooit en te nimmer mocht worden prijsgegeven aan de Albanezen. Het Groot-Servische nationalisme gebruikte de mythe Kosovo om het gevoel van bedrogen en bedreigd te zijn, te cultiveren. Men hield er geen rekening mee, dat de demografische ontwikkeling van Kosovo allang een Albanees terrotorium gemaakt had.

Comments are closed.